Alles-in-één Z-Route Leskit

theater lezen

Welkom in ziekenhuis 'De Brug' 

Dit is een groot ziekenhuis.
Elke dag werken hier veel mensen.
Zij helpen zieke mensen.
Ze leren elke dag nieuwe dingen.
Samen werken, samen leren, samen helpen.

het team

Jan

Ik ben Jan. Ik werk in het magazijn. Ik vind wat jij nodig hebt.

Eva

Ik ben Eva. Ik maak het ziekenhuis schoon. Alles wordt fris.

Tom

Ik ben Tom. Ik rij met de vrachtwagen. Ik breng spullen.

Lisa

Ik ben Lisa. Ik zit bij de balie. Ik help je met je vragen.

Anna

Ik ben Anna. Ik ben ver­pleeg­kun­di­ge. Ik help zieke mensen.

Mark

Ik ben Mark. Ik ben kok. Ik maak soep en brood.

Wat is Theaterlezen?

Kies je rol. Lees samen.
Praat met gevoel. Speel het verhaal.
Het publiek klapt voor jou!

Waarom meteen beginnen?

Lezen is een show!

Je leest hardop. Je speelt een rol. Het is leuk en je voelt je trots.

Alles klaar in één pakket.

Je krijgt verhalen, rolkaarten, woordplaatjes, geluid en uitleg. Open het bestand en start.
 

Het werkt echt.

Je leest woorden vaak. Het verhaal is leuk. Zo ga je sneller lezen en leer je nieuwe woorden.

(RALFI-principes en ANT2-onderzoek)

Iedereen kan meedoen.

De zinnen zijn kort. De plaatjes zijn duidelijk. Geschikt voor elke klas en elk niveau. 

Copyright © 20** Lingua Academy, All rights reserved.

Jan werkt in het maga­zijn.
Hij draagt een oranje hesje.
Hij zet dozen op de plank.

Jan zoekt spullen voor het zie­ken­huis.
Hij zegt vaak: ‘Ik heb het!’
Jan is rustig en netjes.

Mis je iets?
Jan vindt het zo terug.

Lisa zit bij de balie.
Ze ontvangt mensen in het ziekenhuis.
Ze draagt een groene hoofddoek en jas.

Lisa geeft informatie.
Ze zegt vaak: ‘Welkom!’
Lisa lacht breed en helpt graag.

Heb je een vraag?
Lisa wijst je de weg.

Anna is ver­pleeg­kun­di­ge.
Ze werkt in het zie­ken­huis.
Ze draagt blauwe kleren.

Anna helpt zieke men­sen.
Ze zegt vaak: ‘Gaat het?’
Anna luistert goed en is lief.

Word je ziek?
Anna zorgt dat je weer beter wordt.

Mark is kok.
Hij kookt in het zie­ken­huis.
Hij draagt witte kleren en een koksmuts.

Mark maakt soep en broodjes.
Hij zegt vaak: ‘Eet smakelijk!’
Mark lacht hard en is gezellig.

Heb je honger?
Mark zet snel iets lekkers klaar.

Eva is schoonmaak­ster.
Ze werkt in het zie­ken­huis.
Ze draagt blauwe kleren en paarse handschoenen.

Eva maakt alles schoon.
Ze zegt vaak: ‘Alles weer fris!’
Eva lacht veel en is vrolijk.

Is de vloer vies?
Eva laat alles weer stralen.

Tom is chauf­feur.
Hij rijdt een vracht­wagen.
Hij draagt een geel hesje.

Tom brengt spullen naar het zie­ken­huis.
Hij zegt vaak: ‘Komt goed!’
Tom is sterk en rustig.

Heb je iets nodig?
Tom komt snel met zijn wagen.